Er valt veel te vertellen over het instrument waterschapsverordening en de relatie met andere instrumenten, dat mag duidelijk zijn na het lezen van dit hoofdstuk. Ten opzichte van het huidige recht zal de Omgevingswet belangrijke wijzigingen met zich mee brengen voor de waterschappen. Toch blijft er ook het nodige bij het oude. Het regionale waterplan en het waterbeheerplan krijgen bijvoorbeeld wel nieuwe namen –regionaal waterprogramma en waterbeheerprogramma– maar verder verandert daarin nauwelijks iets. Ook het peilbesluit wordt niet geraakt door de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel.

Op andere punten brengt de stelselherziening wel een aardverschuiving teweeg. De belangrijkste punten zijn, in willekeurige volgorde:

  • Digitalisering. De waterschapsverordening wordt digitaal beschikbaar gesteld in de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaarstellen (LVBB). Het waterschap moet de waterschapsverordening daarom conform de digitale standaarden (STOP/TPOD) aanleveren. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) laat de regels van de waterschapsverordening zien op basis van een prik op de kaart. Om dit goed te laten werken, moeten de regels worden geannoteerd met onder andere de activiteit en het type regel. Ook kan via annotaties de uitleg bij begrippen worden toegevoegd. Voor uniforme begrippen kan gebruik worden gemaakt van de Aquo-standaard. Met toepasbare regels kunnen burgers en bedrijven via vragenbomen achterhalen welk verplichtingen gelden voor een activiteit. Als het waterschap dat niveau van dienstverlening wil aanbieden, moet het toepasbare regels in STTR-formaat aanleveren. Zie paragraaf 2.13 over de digitale aspecten van de waterschapsverordening. 
  • Integrale regels. Er is straks één waterschapsverordening met alle regels over de fysieke leefomgeving. Algemene regels of uitvoeringsregels naast de waterschapsverordening zijn daarom niet meer mogelijk. Wel kan het algemeen bestuur het vaststellen van algemene regels delegeren aan het dagelijks bestuur; dat is delegatie van het vaststellen van een deel van de waterschapsverordening (zie paragraaf 2.12). De waterschapsverordening gaat voor het eerst ook regels over waterkwaliteit (lozingen) bevatten (de zogenoemde bruidsschat). Dat soort regels komt direct bij inwerkingtreding van de Omgevingswet in de waterschapsverordening te staan, via de bruidsschat. De bruidsschat bestaat uit voormalige rijksregels die niet terugkeren, zoals de regels over lozing van huishoudelijk afvalwater (zie paragraaf 2.6).
  • Werkingsgebieden en beperkingengebieden. Iedere regel in de waterschapsverordening moet een digitaal werkingsgebied hebben, in de vorm van een geografisch informatieobject. Verwijzing hiervoor naar de legger is niet meer mogelijk. Sowieso moeten beperkingengebieden (waaronder de huidige beschermingszones) uit de legger worden gehaald en als digitale informatie in de waterschapsverordening worden opgenomen. Dat vereist een flinke inspanning van de GIS-afdeling, ook omdat in de praktijkproeven is gebleken dat het DSO strenge eisen aan de kwaliteit van de geo-informatie stelt. Paragrafen 2.8 en 2.10 zijn hieraan gewijd. 
  • Regels over onderhoud. Volgens het Omgevingsbesluit mogen regels over onderhoud niet in de waterschapsverordening worden opgenomen. Die regels (meestal hoofdstuk 2 van de keur) maken daarom ook geen onderdeel uit van de waterschapsverordening die bij inwerkingtreding van rechtswege ontstaat. Het waterschap moet dergelijke regels van de keur overbrengen naar een aparte verordening op grond van de Waterschapswet. Daarnaast blijft er nog een ‘profielenlegger’, de legger op grond van de Omgevingswet, bestaan naast de waterschapsverordening.