De waterschapsverordening wordt in principe vastgesteld door het algemeen bestuur. Artikel 2.8 van de Omgevingswet biedt het algemeen bestuur echter de mogelijkheid om het vaststellen van delen van de waterschapsverordening te delegeren aan het dagelijks bestuur. Het delegatiebesluit geeft de reikwijdte aan van de gedelegeerde bevoegdheid. Het delegatiebesluit bepaalt dus binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden de bevoegdheid kan of moet worden uitgeoefend en, voor zover nodig, binnen welke termijn. Het algemeen bestuur kan bij het delegatiebesluit bepalen op welke wijze het dagelijks bestuur uitvoering moet geven aan de gedelegeerde bevoegdheid. Het algemeen bestuur zou zelfs beleidsregels kunnen vaststellen over de gedelegeerde bevoegdheid (op grond van art 4:81 Algemene wet bestuursrecht).

Het is niet mogelijk om de bevoegdheid tot het vaststellen van de waterschapsverordening in zijn geheel te delegeren aan het dagelijks bestuur. Het moet gaan om delen van de waterschapsverordening. Het democratische gelegitimeerde orgaan – het algemeen bestuur – bepaalt in hoeverre van de mogelijkheid tot delegatie gebruik wordt gemaakt. Er zijn verschillende mogelijkheden om het delegatiebesluit vorm te geven. Het algemeen bestuur kan bijvoorbeeld in het delegatiebesluit specifieke hoofdstukken of paragrafen aanwijzen, die het dagelijks bestuur kan wijzigen. Het is echter ook mogelijk om het soort bepalingen te noemen dat wordt gedelegeerd, zoals algemene regels, indieningsvereisten voor vergunningen of het werkingsgebied van de regels.

De toelichting bij het wetsvoorstel Omgevingswet is er stellig in dat het delegatiebesluit een apart besluit is, naast de waterschapsverordening.[1] Dit is echter niet juridisch vastgelegd. Het is daarom in principe ook mogelijk om delegatiebepalingen in de waterschapsverordening zelf op te nemen, bijvoorbeeld in het slothoofdstuk.

Voortzetting van de huidige praktijk
De meeste waterschappen hebben in de huidige keur de vergunningplichten voor activiteiten met betrekking tot watersystemen opgenomen en vervolgens de vaststelling van algemene regels – die mede een vrijstelling van de vergunningplicht inhouden – gedelegeerd aan het dagelijks bestuur. Deze praktijk kan in principe worden voortgezet in het nieuwe stelsel. Het algemeen bestuur stelt dan een wijziging vast van de waterschapsverordening die van rechtswege is ontstaan, waarmee de aanwijzing van vergunningplichtige gevallen in het nieuwe deel van de waterschapsverordening wordt opgenomen (zie voor meer toelichting hierop paragraaf 2.12). Vervolgens neemt het algemeen bestuur een delegatiebesluit waarin de bevoegdheid om, in afwijking van de aangewezen vergunningplichtige gevallen, vergunningvrije gevallen aan te wijzen en algemene regels te stellen aan het dagelijks bestuur wordt gedelegeerd. Dit leidt er mogelijk wel toe dat de regels over activiteiten in de waterschapsverordening minder goed toegankelijk worden. De waterschapsverordening bevat dan immers (net als de huidige keur en algemene regels) eerst een generieke vergunningplicht en daarna, in aparte artikelen, uitzonderingen op die vergunningplicht. 

Burgers en bedrijven moeten alle artikelen in samenhang lezen om te weten waar ze aan toe zijn. Om echt integrale regels te maken, die in één keer duidelijk maken wat er vergunningplichtig is en wat niet, zou de bevoegdheid om vergunningplichtige en vergunningvrije gevallen aan te wijzen ofwel volledig bij het algemeen bestuur moeten worden gelegd, ofwel volledig moeten worden gedelegeerd. Op die manier staat wat vergunningplichtig is en wat vergunning vrij is op een en dezelfde plek bij elkaar.

 


Voetnoten

[1] Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, p. 403.